ACHTERGRONDEN VAN AGE GRADINGS




Leeftijdscorrectie

'Age grading' is de Engelse benaming voor 'leeftijdscorrectie', een berekening die in de atletiek voor masters (voorheen veteranen geheten) wordt gebruikt. Het eerste doel was om bij meerkampen zinnige resultaten te krijgen, omdat bij de gewone meerkamptelling van de IAAF oude meerkampers voor goede prestaties soms nog maar nul punten kregen.
Prestaties gaan vanaf een jaar of 30 à 35 naar beneden, zoals onderstaand plaatje voor het hoogspringen illustreert. De leeftijd staat op de horizontale as en loopt van bijna 2 tot ruim 96 jaar, de gesprongen hoogte staat verticaal. De getalenteerdste kinderen van een jaar of acht springen 1.35 m hoog, twintigers vormen de absolute top, terwijl vrouwen (roodbruin in de grafiek) van 68 en mannen (donkerblauw) van 84 weer naar het niveau van 1.35 zijn afgedaald.

[grafiek]


Onderstaand alleen het mastersdeel van bovenstaande grafiek, 35-plus dus. De lichtblauwe lijn is een lineaire trendlijn door de mannenrecords, de oranje lijn idem voor de vrouwen. De groene lijnen zijn raaklijnen aan de beste records, niemand sprong ooit hoger (raaklijn = tangent).

[grafiek]


Neem nu iemand van 50 die 1.40 m hoog springt, de paarse X in de grafiek. Dat is 20cm lager dan het vrouwenrecord voor die leeftijd, 33cm lager dan de allerbeste vrouwenrecords (groene lijn), 60cm lager dan het record M50 en 67cm lager dan de beste mannenrecords (groen). De vraag is hoe goed deze sprong eigenlijk is. De age gradings proberen daar een antwoord op te geven.

Op deze site worden de age gradings onder de loep gelegd. Daarbij komen aan bod:
A. Uitleg en achtergronden
B. Overzicht van de leeftijdsrecords voor de meeste atletiekonderdelen
C. Overzicht van de gradings voor die onderdelen
D. Verschillen tussen de onderdelen
E. Een wiskundig model voor gradings
F. Toepassing van het model

Statistische basis

Voor statistische analyses kan grofweg voor twee sets basisgegevens gekozen worden. Hierboven is gekeken naar uiterste waarden, in dit geval de leeftijdsrecords van het hoogspringen. Deze gegevens houd ik zelf bij, ze zijn te vinden op mijn website. Voor andere atletiekonderdelen zijn niet zo veel gegevens voorhanden, de wereldrecords per vijfjaarsklasse zijn ondermeer te vinden op wikipedia.
Een andere manier is niet naar uiterste waarden maar naar gemiddeldes van bijvoorbeeld de beste tien van de allertijdenlijst te kijken. Het idee is dat dan meer gegevens worden gebruikt, waardoor uitschieters minder invloed hebben, waardoor trends beter zichtbaar worden. Hieronder voor elke vijfjaargroep de top tien; deze gegevens komen van de officieuze wereldranglijst (peildatum eind 2010). Een lineaire trendlijn is toegevoegd en het is duidelijk dat die niet wezenlijk anders is dan de rechte trendlijn door de records (vorige grafiek).
Opmerkelijk is dat bij elke leeftijdsgroep het wolkje van tien punten ongeveer hetzelfde oogt. Bij de oudere groepen zijn de verschillen in centimeters blijkbaar ongeveer hetzelfde, ook al is een centimeter bij de oudere groepen een relatief groter verschil dan bij de jonge groepen.

[grafiek]


De trendlijnen veranderen als een polynoom van graad drie wordt berekend, maar toch is het verschil bij de mannen te verwaarlozen. Waarom/waardoor bij de vrouwen niet? Een echt effect of toeval? Omwille van de eenvoud heb ik deze vragen laten rusten en de records als basis genomen en niet de ranglijsten.

[grafiek]


Drie systemen age grading

De internationale mastersorganisatie WMA (voorheen WAVA) is bezig met haar derde set age-gradings:
1. In 1989 gepublicerd, in 1994 herzien, gemaakt door Al Sheahen et al.
2. In 2003 ingevoerd, laatste revisie 2007, gemaakt door Rex Harvey et al.
3. In 2010 ingevoerd (iets eerder al in Duitsland), gemaakt door Bernd Rehpenning et al.

Het gebruik van de age grading op zich is eenvoudig: neem een mastersprestatie, vermenigvuldig die met een bepaald getal en je krijgt een prestatie die in het normale bereik van de senioren ligt. ('Senioren' staat in Nederland voor 20-35 jarigen, in Duitsland echter voor 35+, daarom gebruik ik hier verder de Engelse term OC: 'open class', 'alle leeftijden' dus).
Om de drie verschillende systemen met elkaar en met de wereldrecords te kunnen vergelijken heb ik twee grafieken gemaakt per atletiekonderdeel. De eerste grafiek toont de wereldrecords (lijn door de blauwe punten), verder een rechte lijn (paars) door twee van die records, zodanig dat alle records op of onder deze rechte liggen. Uitleg over de groene lijn komt straks. Verticaal staat geen spronghoogte maar een percentage. Over wat 100% is zometeen meer.

[grafiek]


De paarse rechte lijn komt terug in de tweede grafiek, maar hier staat ie horizontaal. De gekleurde lijnen geven aan hoe de drie gradingssystemen (steeds de laatste revisie) zich ten opzichte van die lijn verhouden. Oranje is systeem 1, blauw is systeem 2 en groen is het huidige systeem 3. Hoe hoger in de grafiek, des te strenger is de grading (des te minder punten krijg je in een meerkamp). De algemene trend in de drie systemen is dat ze strenger worden. Logisch, de wereldrecords worden verbeterd en halen de grading zogezegd in.
Bij de gradings zie je dat ze vanaf een zekere leeftijd naar beneden buigen, daarover straks meer.

[grafiek]


Honderd procent

Om voor alle atletiekonderdelen een zelfde soort grafiek te krijgen zijn prestaties omgezet in een percentage. Bij springen en werpen is de berekening: honderd maal mastersprestatie gedeeld door wereldrecord is percentage. Bij het lopen zou dat percentages boven de honderd geven, dus daar wordt omgekeerd gerekend: honderd maal wereldrecord gedeeld door mastersprestatie is percentage.
Er moet iets als honderd procent tellen, dat kan zijn:
A. Het wereldrecord voor alle leeftijden (OC)
B. Het wereldrecord voor de jongste masters, M35 en V35 dus.
C. Het gemiddelde van de toptien allertijden bij de M35 en V35 en dat dan op zeg 95% zetten.
D. Et cetera.

Oftewel, je kunt zeer uitzonderlijke prestaties als maatstaf nemen, of zoals boven al genoemd de gemiddeldes van wat minder bijzondere prestaties. Het lijkt simpel, maar is het toch niet en dat ligt ondermeer aan het verschijnsel doping. Kiezen voor A is helder, maar vooral bij de vrouwen zijn sommige wereldrecords dermate door doping beïnvloed dat er geen erg reële percentages uit rollen.

Verschillende feiten en meningen over records en doping die in overweging genomen zouden kunnen worden:
a. Alle OC-records zijn door doping beïnvloed.
b. Vooral sommige records zijn ernstig door doping beïnvloed.
c. Ook bij de jongste masterrecords zit heel wat vervuiling.
d. Soms zijn ook oudere masters tegen de lamp gelopen, daaronder mensen die heel bijzondere records op hun naam hebben staan.
e. Voorheen gedopete topatleten zullen als master niet meer gebruiken, maar ze hebben wel kunstmatig door doping hun niveau blijvend opgekrikt.

Al dit soort dingen maken het lastig om iets tot 100% te bombarderen. De onderlinge verhoudingen van de mastersrecords worden er overigens niet door aangetast, wel de percentages die uit de berekeningen volgen. Sommige records springen eruit in m'n grafieken, maar of dat dan aan doping ligt valt niet te bewijzen, noch hoe groot de invloed van de doping dan wel geweest zou kunnen zijn. Ook gedopete topatleten bulken van het talent, maar net dat chemische stukje extra verstoort het rekenen aan mastersprestaties.

Werpgewichten en horden

De jongste masters werpen met dezelfde gewichten als de OC, maar oudere groepen werpen met steeds lichtere gewichten. Dit leidt tot gekke sprongen in de grafieken, maar gelukkig is er een simpele formule om daarvoor te corrigeren. Na vermenigvuldigen met de wortel uit het gewichtsverschil ontstaan er meestal gelijkmatige grafieken. Voorbeeld: een M90 stoot 9.00 meter met een kogel van 3 kilo; het gewone gewicht voor mannen OC is 7.26 kilo, nu levert 9.00 maal wortel (3 / 7.26) een afstand op van 5.78m. Ik zet in de grafiek die afstand en niet de 9 meter.
Als dezelfde correctie op de gradings wordt losgelaten zouden de gradings een regelmatig verloop moeten laten zien, maar dat is meestal niet het geval. De wortelformule is blijkbaar niet gebruikt. Of de wortelformule gaat toch niet op.
Bij de horden veranderen hordenhoogte, tussenafstanden en totale afstand met de leeftijd. Net zoiets als bij de werpgewichten dus, maar een eenvoudige correctie is hier niet voorhanden. Vooralsnog blijven de horden daarom buiten de analyse.

Op zekere leeftijd

Niemand ontkomt aan de gevolgen van de leeftijd, er zijn tientallen lichamelijke veranderingen bekend die leiden tot older, lower, slower. Op zekere leeftijd zal het verminderen van de presaties nog sterker gaan en bij iedereen is dat op een andere leeftijd het geval, genetisch bepaald. Op den duur zullen de records bij de oudste categorieën allemaal in handen zijn van degenen die pas heel laat versneld gaan verouderen. De hoogspringgrafieken hierboven laten een vrijwel lineair verloop zien, dat bij de mannen zeker tot 94 en bij de vrouwen tot minstens 80 jaar voortduurt. Toen ik in 1998 met deze grafieken begon lag dat heel anders. Het lineaire deel loopt echt steeds langer door.

Lineair?

Bij het eerste gradingssysteem werd bij de looponderdelen van een ongeveer lineair afnemen van de prestaties uitgegaan, bij de technische onderdelen echter van een gelijk percentage achteruitgang per jaar. (Daarom is de oranje lijn in de grafiek hierboven hol.) Dat klinkt als een logische veronderstelling, maar al gauw bleken de mastersrecords zich niet aan de theorie te houden, er blijkt eerder sprake van een lineaire vermindering van de prestaties bij alle onderdelen. De gradings van het tweede systeem zijn daarom data-gestuurd: de gradings moeten zich aanpassen aan de voorhanden data, los van een lastig controleerbare theorie.
Bij hoogspringen ziet het er echt lineair uit, maar bij de 100m voor mannen, ligt dat net iets anders:

[grafiek]


Er kan wel een raaklijn getrokken worden maar daarvoor moeten vrij dicht bij elkaar gelegen records gekozen worden. Zowel bij jongere masters als bij oudere liggen de records onder de rechte paarse lijn. Dat zou een toevallig en tijdelijk effect kunnen zijn van de huidige stand van de mastersrecords, maar de 100m van de mannen is nu net het meest beoefende onderdeel en de grafiek is dan ook het gelijkmatigst van alle onderdelen. Een lijn die een tikkeltje bol loopt lijkt beter te passen dan een rechte lijn en het verval is dan niet lineair.
De groene lijn geeft trouwens de prestaties aan die volgens de huidige gradings bij alle leeftijden voor 100% staat. Deze groene lijn zweeft een stukje boven de records omdat Bernd Rehpenning wilde dat de gradings toekomstproof zouden zijn, dat er ruimte voor verbetering van de wereldrecords ingebouwd zit op zodanige wijze dat voorlopig niemand 100% zal gaan scoren. Dit principe lijkt echter niet consequent te zijn toegepast.

Het omgekeerde van een bol verloop zie je bij een aantal werponderdelen van de vrouwen. De raaklijn moet hier door twee ver uit elkaar gelegen punten getrokken worden en raakt verder nergens. Hier lijkt een holle lijn de beste oplossing

[grafiek]


Wat kun je met gradings?

A. De eenvoudigste berekening gaat aldus. Die vrouw van 50 in de tweede grafiek bovenaan deze bladzij springt 1.40, dat blijkt 32.4 cm minder te zijn dan de groene lijn voor leeftijd 50 (1.724 m) en dus ... reken ... reken ... haalt zij 81.2 % van het veronderstelde wereldrecord voor haar leeftijd. Age grading is 81.2.
B. Je kunt een stapje verder gaan en veronderstellen dat de wereldrecords voor alle leeftijden allemaal even goed zijn. Het echte wereldrecord bij de OC staat op 2.09 m (van Stefka Kostadinova), de groene lijn geeft voor 50 jaar een wereldrecord van 1.724 en dus moet je prestaties van 50-jarigen vermenigvuldigen met 2.09/1.724 om ze te 'leeftijdcorrigeren'. De age factor is dan 1.212. Controleer maar: 1.2121 maal 1.724 geeft netjes 2.09 m. Dus heeft de sprong van 1.40 een gecorrigeerde waarde van 1.2121 maal 1.40 en dat is 1.697 meter.
C. De oorsponkelijke, bescheiden bedoeling van de age gradings was om zinnige meerkamppunten te kunnen berekenen. Dat gaat uistekend met de onder B gevonden factor: een vrouw van 50 springt in de zevenkamp 1.40 hoog, vermenigvuldig met 1.2121, geeft 1.818 m, afronden naar beneden geeft 1.81, zoek dat op in de gewone meerkamptelling van de IAAF en ze krijgt daar 991 punten voor. Op naar het volgende onderdeel van de meerkamp.
D. Je kunt een stapje verder gaan. Bij een masterskampioenschap zijn er een heleboel vijftigjarigen, van al hun prestaties kun je de procenten berekenen (berekening A) en dan kijken wie de beste vijftigjarige is.
E. Nog een stapje verder is om niet alleen alle vijftigjarigen maar alle aanwezigen te age-graden en ze onderling via hun percentages te gaan vergelijken.
F. Tenslotte is het ook nog mogelijk berekening B op allen toe te passen om te bekijken wat ze 'eigenlijk' gesprongen, geworpen of gelopen hebben. Dan zal blijken dat onder Nederlandse masters betere atleten zitten dan bij de senioren, want ze hebben 'eigenlijk' betere prestaties, de cijfers geven het aan. Of toch niet?

Longitudinaal

Daarvoor kijk ik even naar mezelf. Als 60-jarige sprong ik 1.47, volgens berekening B is dat 'eigenlijk' 2.02m, volgens de huidige gradings van Bernd Rehpenning ook 2.02 en volgens de vorige gradings van Rex Harvey is het 'eigenlijk' 2.10m. Zoals bekend is het wereldrecord OC 2.09 en het Nederlands record OC 1.92m. Hier klopt iets niet.
Wat een groot probleem is bij alle onderzoek naar de effecten van veroudering op sportprestaties is dat er niet of nauwelijks longitudinale gegevens bekend zijn. Met longitudinaal wordt bedoeld dat van dezelfde topsporters over zeer lange tijd prestaties bekend zijn, die dan ook nog vergelijkbaar moeten zijn qua trainingsintensiteit en dergelijke. De sporters die de beste mastersrecords in handen hebben zijn ongetwijfeld getalenteerd, maar waren ze van de klasse van Bolt, Beamon, Bubka, Blankers, Bekele, Dibaba en noem ze maar op?
Over het algemeen: nee, zo goed waren ze vroeger niet. Of het is helemaal niet bekend hoe ze vroeger waren, omdat ze pas als 65-jarige met atletiek begonnen zijn, of op hun 85ste, dat komt voor!

Een van de beste hoogspringrecords bij de vrouwen is de 1.76 die Debbie Brill als 46-jarige sprong. Volgens berekening B is dat 'eigenlijk' 2.038m. De gradings van het huidige systeem geven alleen een factor per 5 jaar (de oudere systemen per jaar) en dat geeft als waarde 2.044. Debbie is een van de echte topatleten die ook mastersprestaties heeft staan (helaas is ze inmiddels gestopt) en haar echte persoonlijk record was 1.99m. Niet mis, maar geen 2.03 of 2.04. Hier zou je wel een correctie kunnen aanbrengen omdat het wereldrcord bij de vrouwen in de tijd van Debbie niet 2.09 maar 2.01 was.
Ander voorbeeld; discuswerpster Gabre Gabric wierp als 95-jarige met de discus van 0.75 kilo 12.86m. Met de wortelformule wordt dat 11.14m met een discus van 1 kilo. Het interessante van haar is dat ze meedeed bij het discuswerpen tijdens de Olymische Spelen van 1936. Ze was toen geen wereldrecordhoudster, maar wel wereldtop. Van dat soort longitudinale gegevens zouden we er veel meer moeten hebben. De huidige grading geeft haar 'eigenlijk' 57.51m en dat is aardig vergelijkbaar met wat ze ooit deed.

Gradings vergeleken

Dit allemaal ter inleiding. Het zal duidelijk zijn dat het maken van gradings geen rechttoe-rechtaan-proces is, er moeten veel keuzes gemaakt worden en heel wat keuzes zijn arbitrair. Om daar meer over te kunnen zeggen volgen nu op andere bladzijden:
Overzicht wereldrecords masters
Drie systemen age grading vergeleken
Verschillen tussen de onderdelen
Een wiskundig model voor gradings
Toepassing van het model



Weia Reinboud (weiatletiek (apenstaartje) xmsnet (punt) nl)

Zie ook mijn atletiekpagina, als die nog niet open is.