WELKE VRIJHEID?


door Weia Reinboud


[Dit zijn enkele hoofdstukken uit 'Welke vrijheid?', inclusief het laatste hoofdstuk. Gepubliceerd in 2009. De lijnen waarlangs in het boek wordt geredeneerd komen nu natuurlijk niet meer echt tot hun recht.]

2 I-vrijheid: doen waar je zin in hebt


Ik begin met deze allereenvoudigste definitie: vrijheid is doen waar je zin in hebt.
Ik noem dit i-vrijheid, met de i van individu, omdat het puur individueel gedacht is: een individu kan zin hebben in heel veel eten of juist helemaal niet eten, kan zin hebben in fietsen of dikke boeken lezen, in spitten of studeren, in huizen bouwen of huizen fotograferen, kan zin hebben in, nou ja, noem maar op.
Het tweede dat deze definitie kenmerkt is dat er helemaal geen waarde-oordeel in zit. Veel eten of niet eten kunnen negatief beoordeeld worden, maar iemand die daar zin in heeft en dat ook daadwerkelijk gaat doen, zo iemand ervaart vrijheid. Hetzelfde geldt voor iemand die snoeihard zijn of haar favoriete muziek door de open ramen laat schallen, iemand die automobielenderwijs met 314 kilometer per uur over binnenweggetjes raast, iemand die dergelijke CO2-machines verzamelt, iemand die zakken rolt. En idem voor iemand die de buurman met de snoeihard schallende muziek de kop inslaat.
Als dat allemaal binnen vrijheid valt dan is vrijheid iets monsterlijks en niet bepaald iets om voor op te komen. Toch laat ik de definitie zo. Het is best mogelijk om een definitie te geven waarin vrijheid als iets fraais wordt voorgesteld -- bij vrijheid als hoogstaand ideaal zit dan bijvoorbeeld 'rekening houden met anderen' er al in, maar ik wil juist een definitie die op werkelijk alle individuen en op al hun mogelijke daden slaat. En dan moet het inslaan der koppen van krengige buren er inzitten.
Intussen zit natuurlijk ook het zin hebben in bemiddelen bij burenruzies erin -- iemand die dat doet ervaart vrijheid. Evenals degenen die ouden van dagen in rolstoelen op een zonnige dag naar het park rijden, die om niet oppassen op kinderen, die zwerfvuil opruimen. Alles zit erin, van helpen tot om zeep helpen. Het is i-vrijheid als je doet waar je zin in hebt.

5 Het bankje in het park


Stel je voor, het is de eerste mooie dag van het voorjaar, in de grote stad gaat iedereen naar buiten, in het park wandelen overal mensen en alle van gemeentewege verstrekte bankjes zitten vol. Er komt iemand aan. Laten we die 'hij' noemen. Hij zou op de grond kunnen gaan zitten om zijn zakje patat op te gaan zitten eten maar dat is niet wat hij doet. Hij loopt naar een bankje waar vier mensen opzitten en dat daarmee vol is. Er kan niemand meer bij. Maar hij, hij is nogal zwaarlijvig, hij geeft met zijn zware lijf een flinke zwiep tegen degene die op de hoek van de bank zit. Door de zwiep vliegt iedereen een halve meter opzij en hij gaat op de opengevallen plaats zitten. En hij begint te eten. Vreten, smikkelen, smakken, schrokken, schranzen, de details doen er niet toe. En buiten zijn blikveld ziet hij niet dat degene die op de andere hoek van het bankje zat ervan af geduveld is.
Dit was i-vrijheid in volle actie.
We hebben hier een kleine vrije samenleving van vijf individuen die doen waar ze zin in hebben. Die minisamenleving beschikt over één bank voor vier personen en nummer vijf, die zoekt het maar uit.
Is 'je zoekt het maar uit' wat er gebeurt wanneer i-vrijheid voor een hele samenleving de norm zou zijn? In zo'n geval komt het erop neer dat sommigen doen waar ze zin in hebben maar dat ze daarmee tegelijk verhinderen dat anderen kunnen doen waar zíj zin in hebben. Of het is zelfs zo dat degene die zijn zin doet voor een ander iets veroorzaakt waar die ander juist helemaal geen zin in had. In het park naast een bankje ploffen namelijk. En daar liggen vast hondendrollen. Zo is dat in parkjes waar i-vrijheid de gewoonte is.
Toch is het niet zo dat i-vrijheid hier de oorzaak van de ellende is, want met i-vrijheid kan het ook totaal anders gaan.
'Goedemiddag, wat een prachtige dag, nietwaar?'
'Zeker, ik zit er al een uur van te genieten. Wil je misschien hier je patatje op komen zitten eten?'
'Doe geen moeite, staand gaat het ook wel hoor.'
'Natuurlijk, maar ga toch maar lekker zitten, ik heb zin in een wandelingetje, prettige dag verder.'
'Dank je wel.'

10 Waar komt rente vandaan


Stel je een kleine planeet voor. Niet zo klein als het planeetje van Le petit prince, maar een planeetje waar precies duizend volwassen mensen op kunnen leven, plus twee rijken. Wat ook mensen zijn. Op dat planeetje gaat alles buitengewoon georganiseerd, de duizend hebben namelijk allemaal werk, de duizend verdienen allemaal evenveel, de duizend hebben goed te eten, de duizend hebben een mooie hoeveelheid vrije tijd, bijzonder is ook dat ze allemaal heel efficiënt werken. Tevens lijkt het leven sterk op hoe het bij ons gaat. Er zijn landbouwers en winkels, er zijn kranten en concerten, er is een atletiekbaan, een park, er is een drukkerij en een museum en er is een bank.
Dan wordt het nieuwjaar. De oude agenda's worden weggegooid, de nieuwe kalenders aan de muur gehangen en de twee rijken ontvangen tien procent rente over hun banktegoed.
Waar komt dat geld vandaan?
Het geld van de ene rijke komt niet bij de andere rijke vandaan, want die kreeg net zoveel rente bijgeschreven. Het wordt niet door tuinders uit de grond getrokken, het hangt niet aan de bomen. Er is maar één mogelijkheid: het komt bij de duizend vandaan.
De duizend konden niet harder gaan werken, want hun werkweek zat gewoon vol en wat de bank dus gedaan heeft is een beetje geld bij de duizend afschrijven en dat storten op de rekening van de twee rijken. Of misschien was de bank slim en haalden ze het niet weg bij de duizend, maar drukten ze wat extra geld. Doordat het bijgedrukte geld niet te onderscheiden is van het oude geld komt dit neer op geldontwaarding, inflatie: er is meer geld voor een gelijk gebleven aantal ekonomische handelingen, zodat er voor dezelfde handeling plots meer geld nodig is. En langs die weg komt het toch bij de duizend vandaan want die krijgen evenveel geld als altijd, maar kunnen er minder mee doen.
De rijken kunnen de verdiende rente op de bank laten staan, ze kunnen het in een oude sok stoppen en ze kunnen met dat extra geld dingen kopen. Maar op dit planeetje betekent dat dat ze iets kopen dat eerst door de duizend gekocht kon worden. De koopkracht van de rijken neemt toe ten koste van de koopkracht van de duizend. Die niet arm zijn, maar wel een heel klein beetje armer.
Bij vergelijking van de gang van zaken op het planeetje van de duizend met het bankje in het park, wat zijn dan de overeenkomsten en verschillen? Zowel qua positieve als qua negatieve punten?
En een grote vraag: hoe beschaafd (in de nauwe zin die ik in dit boek gebruik) gaat het er op het planeetje aan toe?

11 Verrijking ten koste van


Bij duizend mensen op een planeet plus twee rijken, kan je je voorstellen dat iedereen iedereen kent, kan je je voorstellen dat er twee bakkers zijn, één bibliothecaris, een postbode -- maar je kunt je niet zo goed voorstellen dat er een krant is met een beurspagina die slechts voor de twee rijken wordt volgeschreven.
Laten we daarom een grotere planeet bekijken waar duizendmaal meer mensen wonen. Of nee, meteen nog duizendmaal meer. Dan wonen er een miljard mensen plus twee miljoen rijken, wat ook mensen zijn. Nu kan je je gemakkelijk voorstellen dat er banken en beurspagina's zijn, dat er heel veel bakkers en postbodes zijn, dat er schepen zijn die spullen van hot naar her over de oceanen verslepen, dat er vulmaarin. En iedereen kent maar een zeer klein deel van de andere planeetbewoners, er zijn dus weinig naasten en veel verweggers.
Het wordt nieuwjaar. De miljard hebben geen spaargeld, aan het eind van elke maand is hun geld schoon op, dus ze krijgen ook geen rente. De rijken wel.
Een jaar later weer.
Een jaar later...
Na dertig jaar van een aan de rijken tien procent rente betalend bankwezen…
Na dertig jaar is het kapitaal van de rijken verzeventienvoudigd. Het via rente vergaarde kapitaal groeide niet aan de bomen, zwom niet in de zee, dauwde niet uit de hemel, maar kwam uit de zakken van de miljard. En de rijken hoefden daarvoor slechts wat in de beurspagina's te neuzen -- en zelfs dat hebben ze misschien wel uitbesteed.
Het is een beetje onrealistisch, dat wil zeggen niet lijkend op de reële planeet die Aarde heet, dat een miljard mensen allemaal precies evenveel verdienen, evenveel werken, even weinig rente ontvangen en zo meer. Het is gewoon niet erg realistisch dat het op een planeet zo ordelijk doordacht verloopt. Realistischer is dat er superrijken zijn, steenrijken, gewone rijken, kapitaalkrachtigen, middenklassers, middenstanders, minvermogenden en armoedzaaiers. Laten we zeggen: een stuk of duizend verschillende inkomens.
Het wordt nieuwjaar.
Het oude liedje.
Alleen ontvangen de rijksten tien procent rente, de gewone rijken zeven procent, de middenklassers vier procent, de minvermogenden een schamele één procent.
En de armoedzaaiers?
Die legden het loodje.

12 Kapitalisme: geld maakt geld


Bovenstaande begint al aardig te lijken op de reële aarde met het reëel bestaande kapitalisme. Kapitalisme is zo'n woord waar heel wat definities van bestaan, maar mijne is dat het in het kapitalisme niet gaat om wat er met geld wordt gedaan, behalve dat dat geld zorgt voor meer geld. Voor kapitaalopbouw. De vioolbouwer verkoopt een fraaie viool, maar aan het geld dat bij die transactie van eigenaar wisselde kan je niet zien dat dat ooit een viool voorstelde. Net zoals je aan geld niet kunt zien of het uit aardappelteelt voortkwam, uit boekverkoop, uit het verzorgen van een jazzconcert, uit vrouwenhandel of cocaïneverkoop. Handel is handel en geld is geld en dat geld moet renderen.
Zeggen ze.
Nu even een niet onbelangrijk zijspoor. Geldekonomie, vrije marktekonomie en kapitalistische ekonomie zijn niet drie woorden voor hetzelfde. Het zijn drie afzonderlijke mogelijkheden om een ekonomie op poten te zetten. Bij drie dingen die aan- of uitgezet kunnen worden, zijn er theoretisch acht mogelijke combinaties. Niet alle acht zijn in de praktijk mogelijk, een kapitalistische ekonomie is bijvoorbeeld altijd een geldekonomie, maar er zijn allerlei combinaties denkbaar. De drie worden wel vaak in één adem genoemd, maar er is geen enkele logische noodzakelijkheid voor hun samengaan. Wie de drie in één adem noemt heeft het niet over feiten, maar verkondigt een ideologie.
Een vrijheid die men uiteraard heeft.
Zoals er ook de vrijheid is om andere mogelijkheden te onderzoeken. Een marktekonomie waar niet met geld wordt gewerkt maar met ruilbare vodjes papier die slechts binnen een straal van tien kilometer geldig zijn. Of een ekonomie waar de basisbehoeften niet via de markt gaan maar via distributie en dat alleen voor luxezaken een geldekonomie bestaat. Of een geld- en marktekonomie waarin rente verboden is zoals dat in christelijke landen in de middeleeuwen verboden was en zoals dat in de islam nog steeds verboden is -- verbodsbepalingen die overigens langs allerlei wegen omzeild werden en worden.

52 Welke vrijheid?


De grootste rijkdom is vrijheid. Toen ik aan dit boek begon had ik wel een aantal ingrediënten, maar ik wist nog niet wat voor gerecht die op zouden kunnen leveren. Ik wist ook nog niet welke hoofdpaden en zijpaden ik tegen zou komen. Ik wist wel dat het om dingen ging waarvan kiemen al erg lang geleden in me op waren gekomen. Blijkbaar was het nu de tijd om dit boek te schrijven, met gedachten van vorig jaar, maar soms ook van tien, twintig, dertig en nog meer jaren geleden.
We hadden als vloerbedekking Genemuider matten, matten van gedroogde biezen. Als ik er op mijn knietjes op zat, kwamen er diepe groeven in mijn huid, maar ik merkte ze niet, ik zat net op de grote school, ik leerde lezen en ik pakte de krant die veel te groot was om vast te houden, al was ik lang voor mijn leeftijd, 1.22 meter om precies te zijn. Ik spreidde de krant uit op de vloer en probeerde wat fotobijschriften te ontcijferen, het was oktober 1956, de Hongaarse opstand brak uit, ik begreep het niet, ik vroeg mijn ouders wat er stond, waar het om ging. Ze draaiden erom heen, probeerden me natuurlijk te beschermen, maar dat had ik niet door, ik dacht, die wereld is niet pluis.
In Hongarije ging het, maar zo kon ik het destijds natuurlijk niet formuleren, om de vrijheid te kunnen denken en zeggen en doen wat je wilt.
Toen kwam de dekolonisatie van Afrika, een aantal spannende jaren voor krantlezende kinderen, vooral in 1960 resulterend in een groot aantal vrijheid verkrijgende landen -- en ik mocht een paar keer de kaart in de atlas bijwerken. Dat ging over vrijheid.
Direct de volgende brandhaard, de antiracismebeweging in de Verenigde Staten. Dat ging zeker over vrijheid.
En die oude man, Bertrand Russell (1872-1970), die de gevangenis in moest in 1961 wegens meedoen aan een bandebommanifestatie. Dat ging over het vrijwaren van de wereld van angst voor nucleaire vernietiging.
Etcetera, enzovoort, enzoverder.
Dit boek schreef als het ware zichzelf. Een paar zinnetjes over het bankje in het park had ik al jaren in mijn hoofd, evenals zinnen over het planeetje van de duizend. Ook had ik al het idee om te beginnen met een definitie van vrijheid waar alle lompe vrijheden in meegenomen zijn. Het is niet zo moeilijk om een prachtige wereld te schetsen aan de hand van een of ander verheven idee, en als iedereen dat idee dan overneemt, dan zijn we er. Maar ik ben zelf een van de eersten die gaat sputteren als een bepaald idee verplicht aangehangen zou moeten worden. Zoiets werkt niet, mensen laten zich zoiets niet opleggen, niet meer, met dank aan de zestiger jaren waarin het moraliseren ernstig onder druk is komen te staan. Lees bijvoorbeeld eens kranten van rond 1960, dat is een ander heelal, volop gemoraliseer, volop wijzende vingertjes. (Overigens is 'geen wijzend vingertje' in Nederland de meest met een wijzend vingertje gemaakte opmerking.)
Met het bankje in het park, het planeetje van de duizend en de verjaardagstaart heb ik de zaak tamelijk rekenkundig benaderd. De definitie van vrijheid is op individuen gericht en buitengewoon ruim, maar individuele daden tellen op tot iets maatschappelijks. Deze rekenkunde zit ook achter de onzichtbare hand van Adam Smith, maar er zijn meer onzichtbare handen, handen waar Smith geen weet van had. Broeikasgassen. Plastic op zee. Etcetera.
Voor het samenlevingsniveau hebben we een stapeltje sociale instincten, die dingen uit hoofdstuk 46. Bijna niemand ziet het zitten om die af te schaffen. Dat is mooi. Minder mooi is dat de sociale instincten niet erg met rekenkunde worden gecombineerd. Individuen doen dingen die ver weg optellen tot minder fraaie gevolgen, maar de sociale instincten reiken niet vanzelf tot daar, de sociale instincten lijken voor de schaal van kleine groepen te zijn ontworpen.
Gelukkig hebben mensen grote hersenen en kunnen ze best goed verzinnen wat de wereldwijde gevolgen van individuele daden zijn en wat de onzichtbare handen dus doen. In theorie. In de praktijk vergeten ze het nogal eens, hetgeen wil zeggen dat ze het samenlevingsniveau domweg vergeten.
Toch is dat gek. Omdat het namelijk welbegrepen eigenbelang is om met het samenlevingsniveau en zelfs met de wereldschaal te rekenen. Ook het zuiverste altruïsme valt onder eigenbelang te scharen, dus zelfs degenen die altruïsme verfoeilijk vinden zouden via eigenbelang de wereldschaal kunnen begrijpen. De hersenen zijn echt groot genoeg om tot zeven miljard te tellen, de schaal van de aarde. En de schaal van de toekomst.
Daar komt echter een adder onder het gras vandaan, de ideologie van de rijke landen namelijk. Er werd altijd lacherig gedaan over de indoctrinatie in de sovjetstaten, maar zo heel erg veel verschil met hier en nu zie ik niet. Het is hier ook zo dat je de keuze hebt tussen het onderschrijven van de staatsideologie en het onderschrijven van de staatsideologie. En die staatsideologie bevat een smak hebzucht, gaat over meer individuele vrijheden dan voor het samenlevingsniveau en de toekomst van die samenleving goed is.
Het grondvesten van de samenleving op vrijheid, zoals geschetst in dit boek, zou neerkomen op een paradigmaverschuiving. Een overheid zou er juist moeten zijn om het samenlevingsniveau te bewaken, niet om de plattere individuele vrijheden te ondersteunen. In misantropische buien denk ik dat verbetering nog wel even zal duren, maar misantropie is een stemming van mensen die eigenlijk optimistisch zijn. In andere buien ziet het er dus beter uit.
Dan is de vraag: welke samenleving zou je willen?
Dan is het antwoord: leef daar direct naar, via een onzichtbare hand maakt het uit. Op anderhalve hectare valt een mooi leven le leiden. Het kan, nu, meteen, en wel direct. Dit geldt zowel voor laag- als voor hoogwaardigheidsbekleders.
Al lezend, herlezend en schrijvend ontstond ineens dat spectrum van vier afwegingen, van vier soorten vrijheid. Het spectrum loopt van 'de samenleving kan me rug op' tot een duurzame aarde. In het plaatje achterin het boek neemt van 1 naar 4 de beschavingsgraad toe door een heleboel vrijheden niet uit te leven. Dat is te zeggen: in materiële zin neemt het aantal vrijheden van 1 naar 4 af, maar in sociale zin wordt het leven uiteraard steeds rijker bij toenemende beschaving.
Waar het om gaat is: als je vrijheid van belang vindt, welke vrijheid wil je dan? Veel vrijheid voor jezelf, inclusief allerlei vormen van hebzucht -- of vrijheid voor het geheel, en daarmee ook voor jou?




Terug naar de website van Atalanta